1. Woordenlijst

Administratie Milieu-, Natuur-, Land en Waterbeheer (AMINAL): centrale administratie in Brussel van waaruit alles wat met milieubeleid, bosbeheer, natuurbehoud, land- en bodembeheer, waterbeheer... wordt gestuurd. Deze is nu vervangen door de Vlaamse Leefmilieuadministratie.

Administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap (AROHM) [Decreet R.O.(oud), art. 2 2°]: centrale administratie in Brussel van waaruit de hele ruimtelijke ordening, de ruimtelijke planning, monumentenzorg en landschapsbehoud ten behoeve van de Vlaamse Gemeenschap gestuurd werd. In elke provincie is er nu een afdeling ruimtelijke ordening die deel uitmaakt van het Beleidsdomein Ruimtelijke Ordening Woonbeleid en Onroerend Erfgoed.

Administratie Ruimtelijke Ordening en Landinrichting (AROL): voorloper van de Administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen.

Afdeling Ruimtelijke Ordening (gevolgd door een provincienaam): filiaal van het Agentschap Ruimtelijke Ordening & Onroerend Erfgoed Vlaanderen in elke provincie. Als instantie die de vergunningsaanvragen onderzoekt heten zij  stedenbouwkundige ambtenaren. Daarnaast zijn er ook planologische ambtenaren. Merk op dat deze instantie in opdracht werkt van de Vlaamse Gemeenschap.

Agentschap Inspectie RWO: dit agentschap voert het handhavingsbeleid uit. Het ziet toe op de naleving van de reglementering bij alles wat te maken heeft met ruimtelijke ordening, wonen en onroerend erfgoed. Hieronder ressorteren dus de stedenbouwkundige inspecteurs.

Agentschap Ruimtelijke Ordening & Onroerend Erfgoed Vlaanderen: het agentschap R-O Vlaanderen voert het beleid voor ruimtelijke ordening en onroerend erfgoed uit. Het is bevoegd voor ruimtelijke ordening (vergunningsdossiers, ruimtelijke plannen, stedenbouwkundige verordeningen, ontvoogding van de gemeenten, leegstaande of verwaarloosde bedrijfsruimten) en onroerend erfgoed (monumenten en stads- en dorpsgezichten, landschappen, archeologisch erfgoed en varend erfgoed). In elke provincie is er een Afdeling Ruimtelijke Ordening die onder dit Agentschap ressorteert.

Agentschap Wonen Vlaanderen: het agentschap Wonen-Vlaanderen voert het Vlaamse woonbeleid uit, met het oog op een betaalbaar en kwaliteitsvol wonen voor iedereen.

Algemeen Plan van Aanleg (A.P.A.) [Coördinatiedecreet R.O., art. 12-13, 17-22; Decreet R.O.(oud), art. 48-53, 201]: getekend plan dat door de gemeentelijke overheid wordt opgesteld en dat het ganse grondgebied van de gemeente ordent. Dit plan zal vervangen worden door of geïntegreerd worden in gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen.

Ankerplaats [Landschapsdecreet van 16 april 1996]: een gebied dat behoort tot de meest waardevolle landschappelijke plaatsen, dat een complex van gevarieerde erfgoedelementen is die een geheel of ensemble vormen, dat ideaaltypische kenmerken vertoont vanwege de gaafheid of representativiteit of ruimtelijk een plaats inneemt die belangrijk is voor de zorg of het herstel van de landschappelijke omgeving. Meer over begrippen rond erfgoed zie: https://www.onroerenderfgoed.be/assets/files/projects/downloads/Begrippenlijst_feb2013.pdf

As-builtattest [Codex R.O., art. 4.2.7.-4.2.12.]:  is een attest waarin wordt verklaard dat handelingen betreffende een constructie of een gebouwencomplex niet of slechts marginaal afwijken van de plannen die het voorwerp uitmaken van de stedenbouwkundige vergunning of de melding.
Literatuur: F. Haentjens, 'Het "as-builtattest": een nieuw attest in het ruimtelijk ordeningsrecht', in: Tijdschrift voor Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw, jg. 15 (2010), nr. 58, pp. 107-137.

Ambtenaren van ruimtelijke ordening [Besluit van de Vlaamse regering van 19 mei 2000 tot vaststelling van de voorwaarden waaraan personen moeten voldoen om als ambtenaar van ruimtelijke ordening te worden aangesteld, B.S. 28 juli 2000, 26115-26118; gewijzigd op 7 juli 2000, B.S. 28 juli 2000, 26123-26124; diplomavereisten: M.B. 13 juli 2000, B.S. 28 juli 2000, 26124-26125]: gemeentelijke, provinciale of gewestelijke ambtenaren die zich met ruimtelijke ordening en stedenbouw inlaten. 

Beleidsdomein Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid & Onroerend Erfgoed (RWO): koepel waaronder nu volgende diensten en organisaties vallen: Agentschap Ruimtelijke Ordening & Onroerend Erfgoed Vlaanderen, Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed, Agentschap Wonen Vlaanderen, Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen, Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed (d.i. dus het 'ministerie' of  'kabinet': de politieke poot) en Agentschap Inspectie RWO.

Besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2005 houdende vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake openluchtrecreatieve verblijven en de inrichting van gebieden voor deze verblijven B.S. 10 augustus 2005, p. 34639: zie hieronder de integrale tekst.
 

HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

Artikel 1. § 1. Dit besluit is van toepassing op openluchtrecreatieve verblijven, zoals bedoeld in artikel 2 van het decreet van 3 maart 1993 houdende het statuut van de terreinen voor openluchtrecreatieve verblijven, ongeacht of ze al dan niet gegroepeerd worden ingeplant, waarvan de oprichting overeenkomstig artikel 99 van het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening, vergunningsplichtig is en die gelegen zijn in bestemmingsgebieden waar verblijfsrecreatie is toegestaan maar permanent wonen niet toegestaan is.

  • 2. Dit besluit is niet van toepassing op openluchtrecreatieve verblijven die gelegen zijn :

1° binnen de grenzen van een rechtsgeldige verkaveling voor openluchtrecreatieve verblijven, vergund vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, of van een rechtsgeldig goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan;

2° op een toeristisch uitgebaat terrein voor zover en zolang de uitbating ervan vergunningsplichtig is op basis van het decreet van 3 maart 1993 houdende het statuut van de terreinen voor openluchtrecreatieve verblijven.

Dit besluit is evenmin van toepassing op constructies die bestemd zijn of worden als woonplaats in de zin van artikel 102 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 36 van het Gerechtelijk Wetboek.

HOOFDSTUK II. - Normen voor het openluchtrecreatief verblijf, de nutsvoorzieningen, de inplanting en de toegangswegen

Art. 2. Elk openluchtrecreatief verblijf heeft een maximale grondoppervlakte van 80 m2, inclusief overdekte terrassen en bijgebouwen, en een maximaal volume van 240 m3.

Art. 3. Het hoogste punt van het openluchtrecreatief verblijf mag, gemeten vanaf het maaiveld, niet meer dan vijf meter bedragen.

Alle gevel- en dakvlakken moeten worden uitgevoerd met duurzame, verzorgd uitziende aan het karakter van de omgeving aangepaste materialen.

Art. 4. § 1. De totale grondoppervlakte van het openluchtrecreatief verblijf, de terrassen, private toegangswegen, parkeerplaatsen en eventuele verhardingen inbegrepen, mag nooit meer bedragen dan de helft van de perceelsoppervlakte.

  • 2. Behoudens in het geval van een groepsbouwproject of een gegroepeerde inplanting mag per perceel slechts één openluchtrecreatief verblijf opgericht worden.

Als openluchtrecreatieve verblijven niet gekoppeld of geschakeld worden, bedraagt de minimumafstand van de gebouwen tot de overige perceelsgrenzen ten minste twee meter.

Art. 5. § 1. Alle nieuwe toegangswegen die meerdere openluchtrecreatieve verblijven ontsluiten hebben een minimale hindernisvrije breedte van vier meter, en zijn voorzien van een elektriciteitsnet. De aard en breedte van de eventuele verharding, die wordt uitgevoerd in waterdoorlatende materialen, wordt bepaald in functie van de plaatselijke noodwendigheden.

  • 2. De rechtstreekse lozing van onbehandeld afvalwater in oppervlaktewater is verboden.

HOOFDSTUK III. - Bijkomende normen van toepassing op een groepsbouwproject of een voor de plaatsing van openluchtrecreatieve verblijven bestemde verkaveling

Art. 6. Voor een groepsbouwproject of voor een gegroepeerde inplanting op een voor de plaatsing van openluchtrecreatieve verblijven bestemde verkaveling, ongeacht of de plaatsing gebeurt op of zonder afscheiding van afzonderlijke percelen, gelden de volgende bijkomende normen:

1° als het perceel of de verkaveling aan een geklasseerde waterloop of aan een waterplas met een minimale oppervlakte van 100 m2 is gelegen dan moet een bouwvrije strook van ten minste 15 meter breedte, gemeten vanaf de oever of de hoogwaterlijn worden gerespecteerd;

2° het aantal openluchtrecreatieve verblijven dient tussen 15 en 35 verblijven per hectare te bedragen, berekend over de ganse oppervlakte van het perceel of de verkaveling. Van die bepaling kan afgeweken worden door middel van een provinciale of gemeentelijke stedenbouwkundige verordening.

HOOFDSTUK IV. - Slotbepalingen

Art. 7. De volgende regelingen worden opgeheven:

1° het koninklijk besluit van 30 oktober 1973 betreffende de weekendverblijfparken;

2° het koninklijk besluit van 31 december 1975 betreffende de weekendverblijfparken in de kustgemeenten;

3° artikel 3, eerste lid, 13° van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 1995 betreffende de exploitatie van de terreinen voor openluchtrecreatieve verblijven, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 17 december 1999 en 24 oktober 2003.

Art. 8. Bij de verbouwing van bestaande vergunde openluchtrecreatieve verblijven kan worden afgeweken van de bepalingen van dit besluit, wanneer de handelingen, vereist voor het naleven van die bepalingen, niet in verhouding staan met de omvang van de geplande ingreep. De onevenredigheid moet in de vergunningsbeslissing worden gemotiveerd.

Art. 9. De Vlaamse ministers, bevoegd voor de Ruimtelijke Ordening en bevoegd voor het Toerisme, zijn belast met de uitvoering van dit besluit.

Bestemming: dat wat men met zijn eigendom mag doen, waarvoor een stuk grond, een bouwwerk geschikt is volgens een ruimtelijk uitvoeringsplan.

Bestemmingswijzigingscompensatie (BWC): [Decreet  G.P., art. 6.2.1-14.; Codex R.O., art. 5.1.1. § 1 3°]:  is een gewestelijke, perceelsgebonden, financiële en subsidiaire compensatie voor de kapitaalschade ten gevolge van: 1° een gewestelijk, provinciaal of gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan dat een zone die onder de categorie van gebiedsaanduiding  "landbouw"» valt, omzet naar een zone die onder de categorie van gebiedsaanduiding "reservaat en natuur ", "bos" of "overig groen" valt; 2° een plan van aanleg dat een agrarisch gebied omzet naar een groengebied, een bosgebied of een parkgebied. De BWC staat tegenover planbaten zodanig dat wanneer iemand planschade heeft geleden hij hiervoor gecompenseerd wordt voor de waardevermindering van de grond ten gevolge van de wijziging van de bestemming ervan (b.v. van recreatiegebied naar natuurgebied).

Bijzonder Plan van Aanleg (B.P.A.) [Coördinatiedecreet R.O., art. 14-22; Decreet R.O.(oud), art. 48-53, 201]: getekend plan dat door de gemeentelijke overheid wordt opgesteld en dat een beperkt deel van het grondgebied in detail ordent. Volgens de Codex R.O., art. 7.4.4 § 2 is de uiterste datum dat gemeenten nog mogen overgaan tot het aannemen van een B.P.A. 31 december 2011. Dit type plan zal vervangen worden door of geïntegreerd worden in gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen.

Bouwvergunning [Coördinatiedecreet R.O., art. 42-53]: zie stedenbouwkundige vergunning.

Commissie voor ruimtelijke ordening [Codex R.O., art. 1.3.1.-1.3.4.]: adviesorgaan inzake ruimtelijke ordening. Er zijn er op de diverse niveaus: op gewestelijk vlak de zn. Vlaamse commissie voor ruimtelijke ordening, op provinciaal vlak (Procoro) en in elke gemeente met 10.001 inwoners (Gecoro). Gemeenten met 10.000 inwoners of minder kunnen aan de Vlaamse regering vragen om vrijgesteld te worden. Dergelijke commissies zijn vooral actief bij het verzamelen van adviezen inzake ruimtelijke structuurplannen en ruimtelijke uitvoeringsplannen.

Compensatie voor ontbossing [Bosdecreet van 13 juni 1990, art. 4.15, 90bis; Decreet 17 juli 2000 houdende wijziging van art. 90bis van het bosdecreet van 13 juni 1990, B.S., 17/08/2000; Besluit van de Vlaamse regering van 16 februari 2001 tot vaststelling van nadere regels inzake compensatie van ontbossing en ontheffing van het verbod op ontbossing, B.S., 13 maart 2001, 9779-9790]: regelgeving die voorziet dat telkens wanneer bij bouwactiviteiten bomen moeten verdwijnen, hiervoor compensatie moet gegeven worden. Bij woongebieden en hiermee gelijkgestelde gebieden, industriegebieden en werken van algemeen belang is de compensatie in de bouwvergunning voorzien. In alle andere gevallen moet er eerst een ontheffing van het verbod tot ontbossen aangevraagd worden.

Declaratief attest [Ministerieel besluit van 20 juli 2010, tot vaststelling van de modellen van declaratief attest van woonrecht en van negatief declaratief attest, B.S., 9 augustus 2010, 50856-50865]: dit attest geeft aan of permanente bewoning in een weekendverblijf tijdelijk toegestaan is, m.a.w. of men van een woonrecht kan genieten.

Gemachtigde ambtenaar [Coördinatiedecreet R.O., o.a. art. 43; Decreet R.O. (oud), art. 166, 197-198; M.B. 1 februari 1995, B.S., 22 februari 1995]: ambtenaar die door de Vlaamse Gemeenschap gemachtigd was om o.a. bindende adviezen uit te brengen over allerlei aanvragen en een effectief handhavingsbeleid inzake ruimtelijke ordening te voeren. Gemachtigde ambtenaren waren actief in elke provinciale Afdeling Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen. Door het nieuwe decreet op de ruimtelijke ordening zijn ze vervangen door stedenbouwkundige adviseurs, wat het handhavingsbeleid betreft en door gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaren wat betreft het adviesrecht over o.m. aanvragen en de gemeentelijke stedenbouwkundige verorderingen.

Gemeentelijk Natuurontwikkelingsplan (GNOP): plan waarin de overheid vastlegt wat ze wil doen om de ontwikkeling van de natuur in haar gemeente te bevorderen. Het gaat hierbij niet om een getekend plan maar om een intentieverklaring.

Geografisch Informatiesysteem voor Vlaanderen (GIS) [Decreet van 17 juli 2000 houdende het Geografisch Informatie Systeem Vlaanderen (1), B.S. 2 september 2000, 30283-30285]: digitaal kaartensysteem, m.a.w. een systeem waarmee men allerlei computerkaarten van Vlaanderen kan maken. Eén van de eerste projecten op dat vlak zijn de digitale gewestplannen. Men kan het GIS raadplegen op het internet op: http://www.agiv.be

Gewestplan [Koninklijk Besluit van 28 december 1972, betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen, B.S. 10 februari 1973, 1813-1826]: getekend bestemmingsplan dat voor het hele Belgische grondgebied aangeeft welk gebruik men van een perceel grond mag maken (mits de nodige vergunningen). Dit impliceert dan ook de waarde van een grond. Gewestplanwijzigingen kunnen aanleiding geven tot planbaten en planschade. Zie ook Geografisch Informatiesysteem voor Vlaanderen. In het kader van het nieuwe decreet is het een ruimtelijk uitvoeringsplan. Men vindt de gewestplannen on line via: http://www.gisvlaanderen.be/geo-vlaanderen/gwp/. 

Grondfonds [Codex R.O., art. 5.6.3.; Besluit van de Vlaamse Regering van 14 april 2000 betreffende het financiële en materiële beheer van de dienst met afzonderlijk beheer "Grondfonds", B.S. 13 mei 2000, 15200-15203]: gewestdienst die beschikt over o.m. alle ontvangsten die voortvloeien uit de toepassing van het decreet op de ruimtelijke ordening en het coördinatiedecreet waaronder gelden ontvangen ten gevolge van de planbatenregeling.

Grote Eenheden Natuur (GEN) [Decreet Natuurbehoud art. 2, 17-26, 42, 43, 46, 48 § 1; Codex R.O., art. 1.1.2.10° c]: gebieden die hetzij natuurelementen over een oppervlakte van minstens de helft van het gebied omvatten hetzij gebieden waarin een specifiek natuurelement met hoge natuurkwaliteit aanwezig is.  Zij vormen een onderdeel van het Vlaams Ecologisch Netwerk (VEN).

Grote Eenheden Natuur in Ontwikkeling (GENO) [Decreet Natuurbehoud art. 2, 17-26, 42, 43, 46, 48 § 1; Codex R.O., art. 1.1.2.10° c]: gebieden, die deel uitmaken van het Vlaams Ecologisch Netwerk (VEN) en die één of meer van de volgende kenmerken vertonen:

aanwezigheid van natuurelementen, verspreid over de oppervlakte van het gebied, waarvan de gezamenlijke oppervlakte echter kleiner zijn dan de helft van het gebied;

aanwezigheid van belangrijke fauna- of flora elementen waarvan het voortbestaan moet worden ondersteund door de maatregelen inzake het grondgebruik;

terreinen al dan niet door kunstmatige ingrepen tot stand gekomen, met belangrijke mogelijkheden voor natuurontwikkeling.

Habitatgebied (SBZ-H) [Richtlijn 92/43 EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde fauna en flora]: een geografisch bepaalde zone, waarvan de oppervlakte duidelijk is afgebakend, die omwille van haar bijzonder belang op het vlak van fauna en flora door de overheid is aangeduid om de bijzondere bescherming te genieten, zoals voorzien in bovengenoemde Habitatrichtlijn.  Grosso modo worden twee typen habitats gedefinieerd:

natuurlijke habitats: land- of waterzones met bijzondere geografische, abiotische en biotische kenmerken, en die zowel geheel natuurlijk als hafnatuurlijk kunnen zijn;

habitat van een soort: een door specifieke abiotische en biotische factoren bepaald milieu waarin de soort tijdens één van de fasen van zijn biologische cyclus leeft.

Bij Besluit van de Vlaamse Regering van resp. 14/02/1996 en 4/05/2001 werden 38 habitatgebieden van in totaal 102.000 ha. geselecteerd.  Om de burger hiervan in kennis te stellen werd een nieuw besluit opgemaakt d.d. 24 mei 2002 [B.S. 17 augustus 2002, eerste editie, 35237-35332].

Naar analogie met de habitatgebieden zijn er ook vogelrichtlijngebieden die er samen het Natura 2000-netwerk mee vormen.
Interessante websites rond deze problematiek:

de Europese codex: http://eur-lex.europa.eu/RECH_menu.do?ihmlang=nl

kaarten van de vogelrichtlijn en habitatgebieden Natura 2000: http://geo-vlaanderen.agiv.be/geo-vlaanderen/natura2000/


Handhavingsbeleid  en handhavingsplan [Codex R.O., art. 6.]: beleid dat erop gericht is dat de wetgeving inzake de ruimtelijke ordening correct wordt toegepast. Via een handhavingsplan worden o.m. prioriteiten vastgelegd. Inbreuken op de wetgeving kunnen worden vastgesteld door agenten en officieren van de gerechtelijke politie, stedenbouwkundige inspecteurs en andere personen die door de Vlaamse regering of de gouverneur worden aangewezen. Zie ook Hoge Raad voor het Handhavingsbeleidomzendbrief RO 97/05, herstelmaatregelen en transactiesom.

Herstelmaatregelen [Codex R.O., art. 6.1.41.-6.1.43.; Omzendbrief RO 97/05 van 29 juli 1997, B.S. 8 augustus 1997]: maatregelen die worden opgelegd naast de straf bij een inbreuk op de wetgeving inzake de ruimtelijke ordening. Er zijn drie soorten herstelmaatregelen:

het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand (afbraak) of het staken van het strijdige gebruik (niet langer wonen waar alleen verblijfsrecreatie toegelaten is);

bouw- of aanpassingswerken uitvoeren;

geldsom betalen die gelijk is aan de meerwaarde die het goed door het misdrijf heeft verkregen.

Herverkaveling [Codex R.O., art. 2.4.3., 2.4.9., 7.5.4.]: zie ruilverkaveling.  Niet te verwarren met het wijzigen van de verkavelingsvergunning.

Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid (voorheen Hoge Raad voor het Herstelbeleid) (HRH) [Codex R.O., art. 6.1.6.-6.1.40; Decreet R.O. (oud), art. 9 bis, 149 § 1, 153, 198 bis]: gewestelijke adviesraad voor de handhavingsmaatregelen.  Dit orgaan kan advies geven, opmerkingen maken of voorstellen doen over alle aangelegenheden met betrekking tot het handhavingsbeleid, op eigen initiatief of op verzoek van het Vlaams Parlement of de Vlaamse regering.  Met betrekking tot juridische procedures i.v.m. bouwmisdrijven gepleegd voor 1 mei 2000 is het eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid vereist, zowel wat betreft de vordering als wat betreft de ambtshalve uitvoering van het vonnis of arrest door de stedenbouwkundige inspecteur. De Hoge Raad voor het Herstelbeleid zal in de toekomst hervormd worden tot een Handhavingscollege.

Hoofdzakelijk vergund [Codex R.O., art. 2.6.5., 4.1.1. 7°, 4.4.2. § 1,  4.4.3. 4°, 4.4.6., 4.4.10. § 1, 4.4.24., 5.4.1. 1°, 5.6.7. § 2 2°, 6.1.1., ]: een stedenbouwkundige vergunningstoestand, waarbij geldt dat: a) bedrijven en hun constructies slechts hoofdzakelijk vergund zijn indien de voor een normale bedrijfsvoering noodzakelijke constructies vergund of vergund geacht zijn, ook wat de functie betreft, b) overige constructies slechts hoofdzakelijk vergund zijn indien ten minste negentig procent van het bruto-bouwvolume van de constructie, gemeten met inbegrip van buitenmuren en dak, en met uitsluiting van het volume van de gebruikelijke onderkeldering onder het maaiveld en van de fysisch aansluitende aanhorigheden die in bouwtechnisch opzicht een rechtstreekse aansluiting of steun vinden bij het hoofdgebouw, vergund of vergund geacht is, ook wat de functie betreft

Instandhoudingsdoelstelling (IHD): zorgt ervoor dat gebieden die onder het Natura 2000-netwerk vallen zodanig worden ingericht dat ze maximaal beschermd zijn. Het betreft een concrete invulling van een bepaald gebied, b.v. duinen, heide, bepaalde soorten bos, enz... Deze instandhoudingsdoelstellingen (IHD's) kunnen dan ook als dusdanig aangewend worden om alles wat niet beantwoordt aan de doelstellingen uit het gebied te verwijderen, desnoods door onteigening of door een rigide toepassing van het handhavingsbeleid.
Meer informatie:
Op de website van het Department Leefmilieu Natuur en Energie
Op de website van Natuurpunt

Instituut voor het Archeologisch Patrimonium (IAP)  [Decreet R.O. (oud), art. 111; Decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium, B.S. 15 september 1993]: voormalig instituut dat het archeologisch patrimonium in Vlaanderen beheerde en beschermde en er wetenschappelijk onderzoek over verrichtte (wat nu gebeurt door het VIOE). Er bestaat in Vlaanderen een meldingsplicht indien u bij graafwerken archeologische voorwerpen zou aantreffen.  In dit geval moet u echter echter contact opnemen met de Afdeling Monumenten en Landschappen van de Vlaamse Gemeenschap.

Instrumenterende ambtenaar [Codex R.O., art. 4.2.16., 5.2.1.-5.2.4., overgangsbepaling bij art. 2.4.2.]: persoon die een verkoop begeleidt en de verkoopakte opmaakt en doet verleiden (in principe dus de notaris). Hij is sterk gebonden door een informatieplicht.

Integraal Verwevings- en Ondersteunend Netwerk (IVON) [Decreet Natuurbehoud, art. 2, 9, 10 § 2, 11 § 2, 16 § 2,  27-31, 37 § 1, 40, 46, 50 § 1] : een geheel van gebieden waarin de administratieve overheid zorg draagt voor het behoud van de aanwezige natuurwaarden, maatregelen neemt ter bevordering en versterking van die natuurwaarden, alsook stimulerende maatregelen neemt ter bevordering van de biologische diversiteit. Hieronder vallen o.m. natuurverwevingsgebieden.  Het IVON vormt geen onderdeel van het Vlaams Ecologisch Netwerk maar moet een apart netwerk worden van 150.000 ha.

Kadaster: administratie die over globale plannen beschikt van alle percelen met eventuele bouwwerken. Zij berekent ook het jaarlijks inkomen dat ieder perceel/eigendom kan opbrengen (kadastraal inkomen). Wanneer dit wordt herzien spreekt men van de kadastrale perequatie. Klik hier voor de adressen van het kadaster.

Kwetsbare gebieden: zie: ruimtelijk kwetsbare gebieden.

Meerwaarde [Codex R.O., art. 2.6.10.-2.6.12., art. 6.1.41. en 6.1.58.]: 1° de extra waarde die een eigendom heeft verkregen als gevolg van een bouwmisdrijf. De rechtbank kan de betaling van een meerwaarde vorderen als herstelmaatregel i.p.v. aanpassingswerken of het herstel van de plaats in de oorspronkelijk toestand.
2° de extra waarde die wordt verworven ten gevolge van een bestemmingswijziging van een perceel (planbaten).

Meldingsplichtige handelingen [Codex. R.O., art. 4.2.2. en 4.2.5; Decreet van 25 juni 1985 betreffende de milieuvergunning]: zowel inzake de ruimtelijke ordening, als inzake het milieubeleid, zijn er een aantal werken die mogen uitgevoerd worden, handelingen die mogen gebeuren die vrijgesteld zijn van een stedenbouwkundige vergunning of een milieuvergunning. Sommige handelingen zijn volledig vrijgesteld. In andere gevallen geldt een meldingsplicht, wat betreft de ruimtelijke ordening gevallen betreft waarin de beoordelingsruimte van het bestuur minimaal is omwille van het eenvoudige en gangbare karakter van de betrokken handelingen, of de onderworpenheid van de handelingen aan nauwkeurige stedenbouwkundige voorschriften, verkavelingsvoorschriften of integrale ruimtelijke voorwaarden, vermeld in artikel 4.3.1, §2, tweede lid. Zowel de stedelijke, gemeentelijke als provinciale overheden kunnen evenwel meldingsplichtige handelingen toch vergunningsplichtig maken.

Milieu en Natuur (MINA): alleen over dit onderwerp bestaat er een gigantisch wetboek met een apart vakjargon dat buiten het bestek van deze woordenlijst valt. Te vermelden is nog wel de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen (MINA-raad) die een belangrijke rol speelt inzake het opstellen van het ruimtelijk structuurplan en in de samenstelling van de Vlaamse en provinciale commissies voor ruimtelijke ordening.  Ook inzake de uitvoering van het decreet Natuurbehoud is de MINA-raad cruciaal: informatie bij: http://www.minaraad.be

Milieu-effectenrapport (MER) [Codex R.O., art. 2.2.2., 4.7.15. e.a.; Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, B.S. 3 juni 1995; Decreet van 18 december 2002 tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel betreffende de milieueffect- en veiligheidsrapportage, B.S. 13 februari 2003]: rapport dat aangeeft wat de gevolgen van een gepland bouwwerk, een hinderlijke installatie of een andere ingreep in het landschap zijn op het milieu (de leefomgeving). De Vlaamse regering kan werken, handelingen en wijzigingen waarvoor een stedenbouwkundige vergunning of een verkavelingsvergunning vereist is, onderwerpen aan milieu-rapportering. Is meestal één van de meerdere effectenrapporten dat wordt bekeken bij het opstellen van een ruimtelijke uitvoeringsplan

Milieuraad, ook wel milieuadviesraad genoemd: gemeentelijk orgaan waarin vertegenwoordigers van allerlei verenigingen en andere geïnteresseerde burgers zetelen en dat de gemeente adviseert inzake het milieubeleid. Vertegenwoordigers van politieke partijen hebben er geen stemrecht. Zo speelt de milieuraad een belangrijke rol inzake de opstelling van allerlei milieu- en natuurplannen zoals het Gemeentelijk Natuurontwikkelingsplan of GNOP.

Minnelijke schikking [Codex R.O., art. 6.1.51-55., 6.1.58., 6.2.1.]: in geval van een bouwmisdrijf: een vergelijk tussen de stedenbouwkundig inspecteur en de overtreder waarvan de uitvoering leidt tot het verval van de strafvordering en van de herstelvordering. Het vergelijk betreft:1° de betaling van een geldsom, en/of 2° de uitvoering van door de stedenbouwkundige inspecteur opgelegde bouw- of aanpassingswerken, tenzij: a) een regularisatievergunning werd verkregen, b) de overtreder voorafgaandelijk is overgegaan tot het herstel van de plaats in de oorspronkelijke staat, respectievelijk de staking van het strijdige gebruik.

Natura 2000-netwerk: de som van de habitatgebieden en vogelrichtlijngebieden. Om het behoud van deze gebieden te verzekeren worden instandhoudingsdoelstellingen (IHD) uitgewerkt.
Interessante links:
1° Agentschap Natuur en bos (ANB) over Natura 2000
2° Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) over Natura 2000, de Gewestelijke instandhoudingsdoelen en Criteria lokale staat van instandhouding habitattypes
De locatie van Natura 2000 gebieden in Vlaanderen
Op de site van Natuurpunt

Natuurelement [Decreet Natuurbehoud, art. 2]: elk afzonderlijk element dat natuur in de zin van het decreet natuurbehoud bevat.  Dit decreet definieert natuur als volgt: de levende organismen, hun habitats, de ecosystemen waarvan zij deel uitmaken en de daarmee verbonden uit zichzelf functionerende ecologische processen, ongeacht of deze al dan niet voorkomen in aansluiting op menselijk handelen, met uitsluiting van de cultuurgewassen, de landbouwdieren en de huisdieren.

Natuurverwevingsgebied [Decreet Natuurbehoud, art. 27-28]: gebied met hoge natuurwaarden en als dusdanig onderdeel van een Integraal Verwevings- en Ondersteunend Netwerk. De overheid is verplicht hier maatregelen te nemen om de natuurwaarden te bevorderen zonder dat de overige functies in het gedrang worden gebracht. Recreatiegebieden kunnen aangeduid worden als natuurverwevingsgebied.

Omzendbrief: een door een minister of staatssecretaris uitgevaardigd en in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd schrijven dat tot doel heeft diverse instanties richtlijnen te verstrekken inzake de toepassing van een (deel van een) wet, decreet, K.B., M.B. of B.V.R.

Omzendbrief 18-10 van 20 januari 1978 (18-10) [B.S. 1 maart 1978] : Omzendbrief, destijds uitgevaardigd door staatssecretaris M. Eyskens, die de problematiek van de weekendverblijven schetst en ordeningsmaatregelen voorstelt voor zones voor verblijfsrecreatie. Het betreft de nutsvoorzieningen en de inplanting van weekendverblijven in de diverse kavels.  Deze omzendbrief werd opgeheven door de omzendbrief RO/2004/1 van 1 juni 2004 betreffende de verdere opheffing van omzendbrieven en richtlijnen inzake ruimtelijke ordening. Hij werd vervangen door het Besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2005 [B.S. 10 augustus 2005].

Omzendbrief RO 97/02 over het gemeentelijk structuurplanningsproces van 14 maart 1997 [B.S. 28 maart 1997]: ministeriële omzendbrief die uitlegt hoe men een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan moet opstellen. O.a. is er een inspraakprocedure voorzien. Een meer gedetailleerde uitwerking van deze omzendbrief is het Besluit van de Vlaamse regering tot vaststelling van nadere regels voor de samenstelling, de organisatie en de werkwijze van de provinciale en gemeentelijke commissies voor ruimtelijke ordening [B.S. 3 juni 2000 tweede editie, 19192-19194].

Omzendbrief RO 97/05.... (i.v.m. het handhavingsbeleid) [B.S. 23 augustus 1997]: ministeriële omzendbrief die vastlegt op welke wijze de overheid dient te reageren op bouwmisdrijven (het handhavingsbeleid).  Hierbij dient vooral opgetreden te worden in de prioritaire gebieden op basis van een eerder vastgelegde prioriteitennota.

Ontbossing [Codex R.O., art. 4.2.19., 4.3.1.]: het wegnemen van bomen en struiken met oog op het plaatsen van een constructie of een andere vergunningplichtige handeling, zie ook compensatie van ontbossing.
Literatuur: X. Buijs en A. Glabeke, 'Een boom vellen: waar moet je vooraf aan denken?', in: Tijdschrift voor Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw, jg. 15 (2010), nr. 58, pp. 159-165.

Onteigening [Codex R.O., art. 2.4., art. 7.4.9-10.]: mogelijkheid die zowel overheden als eigenaars hebben om gronden te verwerven om in uitvoering van ruimtelijke uitvoeringsplannen werken te kunnen verrichten (b.v. wegen trekken of andere infrastructuur aanbrengen).

Ontvoogding van een gemeente [Codex R.O., art. 7.2.1., 7.4.7.]: indien een gemeente voldoet aan een aantal voorwaarden, kan ze zelf actiever optreden in het toekennen van stedenbouwkundige vergunningen. Deze voorwaarden zijn beschikken over 1. een stedenbouwkundige ambtenaar, 2. een goedgekeurd gemeentelijk ruimtelijk structuurplan met hierin een bindend gedeelte, 3. een conform verklaard plannenregister, 4. een vastgesteld vergunningenregister, 5. een register van de onbebouwde percelen.

Openbaar onderzoek [Codex R.O., art. 2.1.3., 2.1.10., 2.1.16., 2.2.7., 2.2.10., 2.2.14., 2.4.4., 2.5.1., 3.1.3., 3.2.2., 3.2.4., 4.2.24., 4.4.1., 4.4.7., 4.4.25., 4.6.6-7., 4.7.9., 4.7.15., 4.7.17-18., 4.7.20., 4.7.26., 5.3.1.]: onderzoek dat op kosten van de aanvrager van een stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning wordt doorgevoerd om de mening te kennen van de (naaste) bewoners in een gemeente inzake het werk dat iemand wil (doen) uitvoeren (aanleg van infrastructuur). Dit soort onderzoek is ook van toepassing op hinderlijke bedrijven of bij het maken of wijzigen van de diverse ruimtelijke structuurplannen en ruimtelijke uitvoeringsplannen.

Permanente bewoners [Codex R.O., art. 5.4.1. 2°]: personen die voldoen aan beide hiernavolgende voorwaarden: a) op 31 augustus 2009 betrekken zij reeds gedurende ten minste één jaar een weekendverblijf als hoofdverblijfplaats, zulks blijkens een voorlopige of definitieve inschrijving in het bevolkingsregister of het vreemdelingenregister van de betrokken gemeente, b) zij hebben geen andere woning volledig in volle eigendom of volledig in vruchtgebruik. Indien de hoofdfunctie van het weekendverblijf gewijzigd wordt in permanente bewoning, dan is dit een vergunningsplichtige functiewijziging.

Plan van aanleg: zie algemeen plan van aanleg, bijzonder plan van aanleg en ruimtelijk uitvoeringsplan.

Planbaten en planbatenheffing [Codex R.O., art. 2.2.1. § 1, 2.2.2. § 1 7°, 2.6.2 § 2, 2.6.4-19., 5.1.1. § 1 3°, 5.1.2. § 1 11°, 5.4.2., 7.4.4. § 2, 7.4.12-13, 7.6.2. § 1 8°]: principe dat wanneer door een bestemmingswijziging van een grond in het kader van een ruimtelijk uitvoeringsplan (b.v. bij een gewestplanwijziging,) een grond in waarde stijgt, de eigenaar het verschil met de oorspronkelijke waarde moet bijbetalen voor zover het gaat om een vergunning die kan worden verleend op basis van het in werking getreden ruimtelijk uitvoeringsplan, terwijl de aanvraag de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van dat plan niet voor vergunning in aanmerking kwam. M.a.w. planbaten dienen slechts betaald te worden op het ogenblik dat men een vergunning verkrijgt die men op basis van de vroegere bestemming van de grond niet kon verkrijgen.

Plannenregister [Codex R.O., art. 5.1.1., 5.1.6, 5.2.1. § 1 2°, 5.2.5., 5.2.6. 2°, 5.2.7., 5.6.2. §1, 7.2.1. § 1, 7.6.1., 7.6.3-5.]: al dan niet geïnformatiseerd gegevensbestand van het hele grondgebied van de gemeente met hierin de plannen en bestemming en voorschriften die van toepassing zijn op een perceel.

Planologische ambtenaar [Codex R.O., art. 1.1.2. 8°, 1.1.3. § 3, 2.2.9., 2.2.15. § 3, 2.3.2. § 1, 3.2.2. § 3, 4.4.25., 7.6.1.]: de gedelegeerde planologische ambtenaar die bevoegd is voor het geografische gebied waarop zijn taken vermeld in de codex R.O. betrekking hebben.

Planschade en planschadevergoeding [Codex R.O., art. 2.2.1. § 1, 2.2.2. § 1, 2.4.10. § 3, 2.6.1-3., 2.6.5., 2.6.17., 4.4.23., 4.6.2. § 1, 5.1.1. § 1 3°, 5.6.3. § 2 4°, 6.1.56., 7.4.4. § 2, 7.4.11-12.]: principe dat wanneer door een wijziging van de bestemming van een grond ten gevolge van een ruimtelijk uitvoeringsplan (b.v. bij een gewestplanwijziging) er een bouw- of verkavelingsverbod ontstaat op die grond, de eigenaar recht heeft op een schadevergoeding. Zie ook bestemmingswijzigingscompensatie (BWC).

Prioritaire gebieden: gebieden opgesomd in de omzendbrief RO 97/05 waar men vooral moet optreden in het kader van het handhavingsbeleid.  Vergelijk met ruimtelijk kwetsbare gebieden. Het betreft:

de groengebieden: natuurgebieden en natuurgebieden met wetenschappelijke waarde of een natuurreservaat;

de overstromingsgebieden;

de bosgebieden: bosgebieden met beheersplan, bosgebieden met ecologische waarde indien geen beheersplan aanwezig is;

de parkgebieden;

de valleigebieden of brongebieden;

de stroken met erfdienstbaarheden langs de bevaarbare en onbevaarbare waterlopen en langs de lijninfrastructuren.

Raad voor vergunningsbetwistingen [Codex R.O., art. 4.2.9. § 4, 4.2.11. § 2, 4.6.2. § 1, 4.8., 5.1.3. § 3, 7.5.8.]: administratief rechtscollege uit over beroepen die worden ingesteld tegen:1° vergunningsbeslissingen, zijnde uitdrukkelijke of stilzwijgende bestuurlijke beslissingen, genomen in laatste administratieve aanleg, betreffende het afleveren of weigeren van een vergunning; 2° valideringsbeslissingen, zijnde bestuurlijke beslissingen houdende de validering of de weigering tot validering van een as-builtattest; 3° registratiebeslissingen, zijnde bestuurlijke beslissingen waarbij een constructie als 'vergund geacht' wordt opgenomen in het vergunningenregister, of waarbij dergelijke opname geweigerd wordt.

Recht van voorkoop [Codex R.O., art. 2.4.1-2 (overgangsbepalingen); Decreet Natuurbehoud, art. 37 § 1]: recht dat de diverse overheden in sommige gevallen hebben om bij een verkoop een eigendom te mogen verwerven aan een lagere prijs dan dat wat de hoogste bieder biedt. 

Recreatiegebied [Koninklijk Besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen, B.S. 10 februari 1973, 1813-1826, art.16] : gebied, aangeduid in oranje kleur op het gewestplan, dat bestemd is voor het aanbrengen van recreatieve en toeristische accommodatie, al dan niet met inbegrip van de verblijfsaccomodatie. In deze gebieden kunnen de handelingen en de werken aan beperkingen worden onderworpen teneinde het recreatief karakter van de gebieden te bewaren. Men onderscheidt de gebieden voor dagrecreatie (aangeduid met een sterretje) waar verblijfsaccomodatie niet is toegelaten en de gebieden voor dag- en verblijfsrecreatie (aangeduid met een driehoekje) waar dit wel is toegelaten. Noteren we dat in de nieuwe codex R.O. recreatie een algemene bestemming is met een aantal duidelijke mogelijkheden en beperkingen, o.m. betreffende het woonrecht en zonevreemde constructies.

Regularisatie [Codex R.O., art. 4.2.24., 4.4.29., 4.8.17.]: een positief correctiemechanisme waardoor een wederrechtelijke situatie of een rechtshandeling, verricht in strijd met de voorschriften opnieuw in overeenstemming wordt gebracht met het recht en dit voor, na, of onafhankelijk van een rechterlijke tussenkomst [definitie van S. Wyckaert, T.R.O.S. 2003 nr. 32, 305] .  Inzake stedenbouw komt het neer op het in regel brengen van een niet-vergunde constructie via een regularisatievergunning, al dan niet na betaling van een transactiesom.

Regularisatievergunning [Codex R.O., art. 4.2.11., 4.2.24., 6.1.51, 6.1.57.]: een stedenbouwkundige vergunning of een verkavelingsvergunning die tijdens of ná het verrichten van vergunningsplichtige handelingen wordt afgeleverd.

Rooilijnplan [Codex R.O., art. 2.5.1-2., 5.1.1.]: plan dat de rooilijnen vastlegt: m.a.w. de grenzen aangeeft waarbinnen eigenaars en overheden mogen bouwen, welke stroken moeten vrijgehouden worden voor eventuele infrastructuurwerken (aanleg van nutsvoorzieningen).

Rubiconfonds [Begrotingsdecreet 2003, art. 54-56]: Fonds dat dient voor subsidiëring of gedeeltelijke financiering van waterbeheerswerken. Het wordt o.m. gespijsd met middelen die voortkomen uit de planbatenheffing. 

Ruilverkaveling [Codex R.O., art. 2.4.3.]: techniek die tot op heden vooral in de landbouw wordt gebruikt om ervoor te zorgen dat landbouwers over grote aaneengesloten percelen kunnen beschikken door te ruilen met hun collega’s. Wordt waarschijnlijk een belangrijke techniek in het kader van de verwezenlijking van een ruimtelijk uitvoeringsplan. Doelstelling wordt wellicht aaneengesloten gebieden voor industrie, bouwen, recreatie, landbouw of natuur te creëren door omruilingstechnieken. Men gebruikt hiervoor ook vaak de term herverkaveling.

Ruimtelijk kwetsbare gebieden [Codex R.O., art. 1.1.2.10°, 4.4.14. § 2, 4.4.15 2°, 4.4.17. § 2, 4.4.18 § 2, 4.4.19. § 3, 4.4.20. § 2, 4.4.23 1 d); zie ook: Omzendbrief RO 97/05]: lijst van gebieden alwaar de strafsanctie voor het instandhouden van een bouwmisdrijf bedoeld in art. 6.1.1 behouden blijft, m.a.w. waar een bouwmisdrijf de facto niet kan verjaren.  Vergelijk ook met prioritaire gebieden.  Het betreft:  a) de volgende gebieden, aangewezen op plannen van aanleg: 1) agrarische gebieden met ecologisch belang, 2) agrarische gebieden met ecologische waarde, 3) bosgebieden, 4) brongebieden, 5) groengebieden, 6) natuurgebieden, 7) natuurgebieden met wetenschappelijke waarde, 8) natuurontwikkelingsgebieden, 9) natuurreservaten, 10) overstromingsgebieden, 11) parkgebieden, 12) valleigebieden, b) gebieden, aangewezen op ruimtelijke uitvoeringsplannen, en sorterend onder één van volgende categorieën of subcategorieën van gebiedsaanduiding: 1) bos, 2)  parkgebied, 3) reservaat en natuur c) Het Vlaams Ecologisch Netwerk bestaande uit  grote eenheden natuur, grote eenheden natuur in ontwikkeling vermeld in het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu,  d) de beschermde duingebieden en voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden, aangeduid krachtens artikel 52, §1, van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud. In ruimtelijk kwetsbare gebieden gelden er aanzienlijke beperkingen en verboden inzake het inschrijven in het vergunningenregister van een als 'vergund geachte' constructie, het woonrecht en zonevreemde constructies.

Ruimtelijk planner [Codex R.O., art. 2.1.2. § 8, 2.2.5.; Besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000 tot instelling van het register van ruimtelijke planners..., B.S. 28 juli 2000, 26108-26110; gewijzigd bij Besluit van de Vlaamse regering van 7 juli 2000, B.S. 28 juli 2000, 26124; diploma's: M.B. van 13 juli 2000, B.S. 28 juli 2000, 26128-26129]: fysieke personen of rechtspersonen, of gewestelijke, provinciale of gemeentelijke besturen die kunnen worden aangewezen om een ontwerp van ruimtelijk structuurplan of ruimtelijk uitvoeringsplan op te maken. Gemeenten zullen de opmaak van een structuurplan of een uitvoeringsplan veelal uitbesteden aan een intercommunale.

Ruimtelijk structuurplan [Codex R.O., art. 2.1., 2.2.2. § 1 4°, 2.2.6. § 2, 2.2.9, 3.2.1. § 1, 3.2.2. § 1, 3.2.3. § 1, 3.2.4. § 1, 4.4.25. § 6, 5.6.5., 5.6.6., 7.2.1., 7.4.3., 7.4.6-7.;  Decreet R.O. (oud), art. 18-36, 174-180, 187-189] : beleidsdocument dat het kader aangeeft van de gewenste ruimtelijke structuur. Het geeft een langetermijnvisie op de ruimtelijke ontwikkeling van het gebied in kwestie. Het is erop gericht samenhang te brengen in de voorbereiding, de vaststelling en de uitvoering van beslissingen die de ruimtelijke ordening aanbelangen. Het bevat een informatie, een richtinggevend en een bindend gedeelte. Er zijn er dus op gewestelijk niveau: het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, het provinciale (PRSP) en het gemeentelijke (GRSP) niveau. Zie op gemeentelijk vlak ook de omzendbrief RO 97/02.

Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV) [Codex R.O., art. 1.2.1., 2.1.3-6., 2.2.6. § 2, 2.2.9, 3.1.1. § 1, 3.1.3. § 1, 5.4.2., 7.5.9.]: ruimtelijk structuurplan dat de gewenste ruimtelijke structuur voor heel Vlaanderen aangeeft: het algemene kader. In feite is het dus een algemene intentieverklaring met evenwel ook een aantal bindende bepalingen waaraan iedereen zich te houden heeft. Het moet geconcretiseerd worden in de provinciale en gemeentelijke ruimtelijke structuurplannen en vooral in de ruimtelijke uitvoeringsplannen die de bestemming van een concreet stuk grond vastleggen.

LEES OOK:: http://www.vlaamsbouwmeester.be/nl/nieuws/witboek-beleidsplan-ruimte-vlaanderen-goedgekeurd

Ruimtelijk uitvoeringsplan (RUP) [Codex R.O., art. 1.1.2. 13°, 2.2., 2.4.1-6., 2.4.9., 2.5.1., 2.6.1-8., 2.6.12. § 1, 2.3.13-14., 3.1.3., 3.2.2., 3.2.4., 4.1.1. 1 d), 4.3.1. § 2 3°, 4.3.2., 4.4.3., 4.4.7. § 1, 4.4.10. § 2, 4.4.13. § 3 2), 4.4.14. § 2 2°, 4.4.13. § 3 2°, 4.4.14. § 2 2°, 4.4.15 2°, 4.4.17. § 2, 4.4.18. § 2, 4.4.19. § 3, 4.4.20. § 2, 4.4.23. 1 d), 4.4.24-26., 4.4.28., 4.6.2. § 1, 4.6.5. § 1, 5.4.1. 1° c), 5.4.3. § 1, 5.6.5., 5.6.6. § 2, 6.1.1. 2), 7.4.1. § 1, 7.4.2. 4°, 7.4.5., 7.5.7.]: getekend plan dat de bestemming van gronden en eigendommen vastlegt of/en dat de inplanting van de constructies in de verschillende kavels vaststelt (ordeningsplan). Op termijn komen dergelijke plannen in de plaats van de gewestplannen, algemene en bijzondere plannen van aanleg. Er komen ruimtelijke uitvoeringsplannen op gewestelijk (VLARUP), provinciaal (PRORUP) en gemeentelijk (GEMRUP) niveau. Volgende categorieën van gebiedsaanduiding zijn voorzien:
1°  “wonen”, ten minste bestaande uit volgende subcategorieën van gebiedsaanduiding:
    a) “woongebied”, in hoofdzaak bestemd voor wonen en aan het wonen verwante activiteiten en voorzieningen,
    b) “gebied voor wonen en voor landbouw”, in hoofdzaak bestemd voor wonen, landbouw, openbare groene ruimten en openbare verharde ruimten en aan het wonen verwante activiteiten;
2° “bedrijvigheid”, in hoofdzaak bestemd voor bedrijfsactiviteiten en/of kantoren;
3° “recreatie”, in hoofdzaak bestemd voor recreatie, dagrecreatie en/of verblijfsrecreatie;
4° “landbouw”, ten minste bestaande uit volgende subcategorieën van gebiedsaanduiding:
    a) “agrarisch gebied”, in hoofdzaak bestemd voor beroepslandbouw,
    b) “agrarische bedrijvenzone”, in hoofdzaak bestemd voor de inplanting van agrarische bedrijven, in het bijzonder glastuinbouw,
    c) “bouwvrij agrarisch gebied”, in hoofdzaak bestemd voor beroepslandbouw, met dien verstande dat het oprichten van gebouwen niet is toegelaten;
5°  “bos”, in hoofdzaak bestemd voor de instandhouding, de ontwikkeling en het herstel van het bos;
6°  “overig groen”, ten minste bestaande uit volgende subcategorieën van gebiedsaanduiding:
    a)  “gemengd openruimtegebied”, waarbij natuurbehoud, bosbouw, landschapszorg, landbouw en recreatie nevengeschikte functies zijn,
    b)  “parkgebied”, in hoofdzaak bestemd voor de instandhouding, het herstel en de ontwikkeling van een park of parken;
7°  “reservaat en natuur”, in hoofdzaak bestemd voor de instandhouding, de ontwikkeling en het herstel van de natuur, het natuurlijk milieu en bos;
8°  “lijninfrastructuur”, in hoofdzaak bestemd voor verkeers- en vervoersinfrastructuur, wegeninfrastructuur, spoorinfrastructuur of waterweginfrastructuur en hun aanhorigheden;
9°  “gemeenschaps- en nutsvoorzieningen”, in hoofdzaak bestemd voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen of infrastructuur van openbaar nut voor de zuivering van afvalwater;
10°  “ontginning en waterwinning”, ten minste bestaande uit volgende subcategorieën van gebiedsaaanduiding:
    a) “gebied voor infrastructuur voor duurzame watervoorziening”, in hoofdzaak bestemd voor infrastructuur van openbaar nut voor duurzame watervoorziening,
    b) “gebied voor de winning van oppervlaktedelfstoffen”, in hoofdzaak bestemd voor de ontginning van delfstoffen,
    c)  “gebied voor verwerking van oppervlaktedelfstoffen”, in hoofdzaak bestemd voor bedrijven die oppervlaktedelfstoffen verwerken.

 Ruimtelijk veiligheidsrapport (RVR) [Codex R.O., art. 2.2.2. § 1 6° c), 2.2.6. § 1, 2.2.7., 2.2.9. § 1, 2.2.10, 2.2.13. § 1, 2.2.14.; Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, B.S. 3 juni 1995; Decreet van 18 december 2002 tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel betreffende de milieueffect- en veiligheidsrapportage, B.S. 13 februari 2003]: een openbaar document waarin, van een voorontwerp van ruimtelijke uitvoeringsplan en van de redelijkerwijze in beschouwing te nemen alternatieven, een wetenschappelijke beoordeling wordt gegeven van de geplande ontwikkelingen met betrekking tot nieuwe of bestaande inrichtingen en hun omgeving, wanneer de plaats van vestiging ervan of de ontwikkelingen zelf het risico op een zwaar ongeval kunnen vergroten of de gevolgen ervan ernstiger kunnen maken.

Stedenbouwkundig attest [Codex R.O., art. 2.6.2, 5.3.1, 7.6.6.]: document dat wordt afgegeven door college van burgemeester en schepenen en dat aangeeft of een bepaald project in aanmerking kan komen voor een stedenbouwkundige vergunning of een verkavelingsvergunning. Het is twee jaar geldig. Uitvoeringsbesluit: B.V.R. 13/05/2009.

Stedenbouwkundig attest van conformiteit [Decreet R.O. (oud), art. 96 §1 7bis, art. 105 § 3] zie: As-builtattest.

Stedenbouwkundig uittreksel [Codex R.O., art. 2.1.2. § 7, 5.2.1. § 1, 5.2.7.]: informatief uittreksel uit het plannenregister en uit het vergunningenregister voor de percelen waarvoor de aanvraag ingediend werd.

Stedenbouwkundige ambtenaar [Codex R.O., art. 1.1.2, 1.3.3.§ 11, 1.4., 2.2.13, 2.2.16. § 1, 2.3.2. § 2, 4.4.7. § 1, 4.4.25., 4.7.1., 4.7.14., 4.7.16-17., 4.7.19-23., 4.7.26., 4.8.16. § 1 5°, 5.3.1. § 1, 5.3.2. § 1, 5.6.6. § 3, 7.2.1., 7.5.4., 7.5.8. § 3, 7.5.9., 7.6.1-2.]: ambtenaar die zich bezighoudt met stedenbouw. Dit kan zowel op gewestelijk, provinciaal als gemeentelijk vlak zijn.

Stedenbouwkundige inspecteur [Codex R.O., art. 1.1.2. 12°, 1.4.3., 5.2.1. § 1, 6.1.1., 6.1.4. § 1, 6.1.5., 6.1.7., 6.1.13., 6.1.17., 6.1.31., 6.1.41-43, 6.1.45-47., 6.1.49. § 1, 6.1.51-54., 6.2.1., 7.7.4.]: inspecteur die zich op gewestelijk vlak bezighoudt met stedenbouw. Er zijn verschillende stedenbouwkundige inspecteurs die ieder een beperkt geografisch gebied beheren. Zij houden zich vooral bezig met het handhavingsbeleid  en vervangen de gemachtigde ambtenaren. Zij ressorteren onder het Agentschap Inspectie RWO.

Stedenbouwkundige vergunning [Codex R.O., art. 4.2.1, art. 4.2.19.-4.4.3, 7.2.1. § 4, 7.6.2. § 1.]: geeft u het recht om, naargelang het geval, te bouwen, ontbossen, het reliëf te wijzigen... en vervangt de vroegere bouwvergunning. Het betreft dus werken die vergunningsplichtig zijn. Daarnaast zijn er werken waar enkel een meldingsplicht op rust.  Indien u zich (inzake de ruwbouw) gehouden heeft aan uw stedenbouwkundige vergunning krijgt u een as-builtattest. Zie ook: vergund geacht.
Specifiek wat de weekendverblijven betreft is anno 2009 volgende regelgeving voor het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning van toepassing.
1° Is uw weekendverblijf gelegen in een zone voor verblijfsrecreatie volgens het gewestplan en is er geen specifieke verordening van toepassing ten gevolge van een ordeningsplan zoals een B.P.A., verkavelingsplan of R.U.P., dan dient de (geplande) constructie volledig comform te zijn aan het gewestelijke stedenbouwkundige verordening voorzien in het B.V.R. van 8 juli 2005.
2° Is uw weekendverblijf gelegen in een zone voor verblijfsrecreatie volgens het gewestplan en is er wel een specifieke verordening van toepassing ten gevolge van een ordeningsplan zoals een B.P.A., verkavelingsplan of R.U.P., dan dient de (geplande) constructie hieraan volledig comform te zijn. Enkel door een verkavelingswijziging, dit is een procedure die grotendeels de weg volgt van een verkavelingsaanvraag, kunnen de normen eventueel aangepast worden.
3° In sommige gemeenten probeert men het probleem van de permanente bewoning op te lossen door de creatie van recreatieve woonzones of woonzones met recreatief karakter, ... Hier gelden dan specifieke normen ten gevolge van een specifieke stedenbouwkundige verordening.
4° Is het weekendverblijf gelegen buiten een zone voor verblijfsrecreatie of een (recreatieve) woonzone, dan kan in principe geen stedenbouwkundige vergunning afgeleverd worden.
Werkwijze: U doet uw stedenbouwkundige aanvraag via een architect aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waar u wenst te bouwen, of een constructie wil regulariseren. Bij deze aanvraag moet
a) een overeenkomst toegevoegd zijn i.v.m. de compensatie tot ontbossing;
b) beschreven worden hoe men aan de watertoets zal voldoen.

Stedenbouwkundige verordening [Codex R.O., art. 1.1.2. 13° c), 2.2.2. § 1, 2.3., 4.2.5-6]: bepalingen waaraan iedereen die iets wil (ver)bouwen zich te houden heeft. Er bestaan stedenbouwkundige verordeningen op gewestelijk, provinciaal en gemeentelijk niveau en ze kunnen telkens zowel voor het hele grondgebied gelden als voor een deel ervan (b.v. een paar provincies, een paar gemeenten, één (of meerdere) zone(s)). Inzake de openluchtrecreatieve verblijven is er het B.V.R. van 8/7/2005 [B.S. 10 augustus 2005].

Strategische Adviesraad voor Ruimtelijke Ordening en Onroerend Erfgoed (SARO) [Codex R.O., art. 1.2.1. 14°, 1.3.1-2, 2.1.3., 2.2.7. § 6, 3.1.3. § 3, 6.1.4. § 2 2°; Decreet van 10 maart 2006 houdende de oprichting van de strategische adviesraad Ruimtelijke Ordening – Onroerend Erfgoed, B.S. 7 juni 2006, wijzigingen en uitvoeringsbesluiten verschenen in B.S. 22 augustus 2006, 10 januari 2007 en 1 maart 2007]: adviesorgaan dat ondermeer moet betrokken worden bij het opstellen van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen en het handhavingsplan.

Structuurplan: zie ruimtelijk structuurplan. De vroegere structuurplannen die op gemeentelijk vlak een rol speelden zijn afgeschaft.

Stuurgroep: orgaan dat het structuurplanningsproces begeleidt en adviezen kan verstrekken naar het beleid toe. Hoewel er hieromtrent geen enkele wettelijke bepaling is zijn er wat de samenstelling ervan betreft een aantal algemeen aanvaarde regels. In de stuurgroep zetelen vertegenwoordigers van: het gemeentebestuur (de politieke fracties), de plangroep (ruimtelijke planners), de gemeentelijke diensten en de bevolking (de helft).

Transactiesom [Decreet R.O. (oud), art. 158]: geldsom te betalen om de regularisatie mogelijk te maken van een constructie die zonder vergunning is opgericht (of verbouwd) maar die niet strijdig is met de ruimtelijke uitvoeringsplannen, plannen van aanleg, verordeningen of voorschriften van een verkavelingsvergunning. Eén en ander is nu geïntegreerd in de procedure van een minnelijke schikking.

Vergund geacht [Codex R.O., art. 4.1.1. 7°, 4.2.14., 4.4.21. 3° a), 4.4.22. 3°, 4.8.1. 3°, 5.1.3., 7.6.2. § 1.]: constructies waarvan wordt aangetoond dat ze gebouwd zijn vóór 22 april 1962, worden te allen tijde geacht te zijn vergund. Daarnaast zijn er de constructies waarvan wordt aangetoond dat ze werden opgericht vanaf 22 april 1962 tot de eerste inwerkingtreding van het gewestplan waarbinnen zij gelegen zijn. Ook zij kunnen ingeschreven worden in het vergunningenregister als 'vergund geacht' tenzij het vergund karakter wordt tegengesproken middels een proces-verbaal of een niet anoniem bezwaarschrift, telkens opgesteld binnen een termijn van vijf jaar na het optrekken of plaatsen van de constructie. Tegen het al of niet correct inschrijven van deze constructies kan men beroep aantekenen via de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Juridisch staat een vergund geachte constructie gelijk met een hoofdzakelijk vergunde constructie, m.a.w; een constructie waarvoor een stedenbouwkundige vergunning is afgeleverd en die ook gebruikt wordt zoals in de vergunning voorzien is.

Vergunningenregister [Codex R.O., art. 4.2.2. § 3, 4.2.9, 4.2.14; § 2, 4.8.1. 3°, 4.8.16. § 2, 5.1.2-6., 5.2.7, 6.2.2., 7.2.1., 7.5.4., 7.6.2-5.]: een geïnformatiseerd gegevensbestand over de perceelsgebonden informatie met betrekking tot de ruimtelijke ordening en de stedenbouw op het grondgebied van een gemeente. Men vindt hierin dus o.m. welke vergunningen zijn afgeleverd, welke constructies als vergund geacht dienen te worden beschouwd, juridische procedures en uitspraken, of er een planbatenheffing verschuldigd is voor dit perceel...

Vergunningsplicht: de plicht om een stedenbouwkundige vergunning te verwerven, vooraleer bepaalde handelingen kunnen gesteld worden.

Vergunningsplichtige functiewijziging [Codex R.O., art. 7.5.1.]: wijziging van het gebruik van een vergunde constructie, b.v. van weekendverblijf naar permanent wonen. Hiervoor moet dan een nieuwe stedenbouwkundige vergunning worden verworven.

Verkavelingsaanvraag [Codex R.O., art. 4.7. voor de procedure]: aanvraag tot het verkrijgen van een verkavelingsvergunning. Deze dient allerlei documenten te bevatten zoals inlichtingen inzake de deelnemende kavels en hun eigenaars, ordeningsbepalingen en -voorschriften (verkavelingsverordeningen), allerlei plannen waaronder het verkavelingsplan. Voor de inrichting van zones voor verblijfsrecreatie baseerde men zich in het verleden op de voorschriften van de omzendbrief 18-10, maar deze is afgeschaft en vervangen door het B.V.R. van 8 juli 2005.

Verkavelingsplan: plan dat bij de verkavelingsaanvraag wordt gevoegd en dat in detail beschrijft hoe het te verkavelen gebied geordend is en zal worden (bestaande en gewenste toestand).

Verkavelingsvergunning [Codex R.O., art. 2.3.2. § 2, 2.4.2. 2°, 2.5.2., 2.6.1. § 4 6°, 2.6.2., 2.6.5. 1°, 2.6.1.4. § 1, 4.1.1. 13°, 4.2.15-18-24., 4.3.1., 4.4.9. § 1, 4.6.4.-8., 4.7.18. § 1 2°, 5.1.2. § 1, 5.2.1-3., 5.2.5-6., 5.3.1. § 2, 5.6.6., 6.1.1. 7°, 7.2.1. § 4, 7.5.4-7., 7.6.2. § 1.]: vergunning die eigenaars of groeperingen van eigenaars nodig hebben wanneer ze een grond wensen op te splitsen in twee of meerdere kavels. Deze vergunning is ook nodig bij de verkoop van één of meerdere percelen die bestemd zijn voor woningbouw of voor vaste of verplaatsbare inrichtingen die voor bewoning konden worden gebruikt. Dit geldt dus ook voor weekendverblijven. In principe is deze vergunning dan ook een voorwaarde tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning. Als de verkaveling volledig is afgewerkt, dient een verkavelingsakte (art. 4.2.16) te worden opgemaakt opdat percelen zouden kunnen worden verkocht of voor meer dan negen jaar verhuurd. Dit moet gebeuren via de instrumenterende ambtenaar.

Verkavelingsverordening [Codex R.O., art. 6.1.1. 2°.]: reeks bepalingen zowel op Vlaams als op gemeentelijk niveau waaraan de aanvrager van een verkavelingsvergunning moet voldoen. Zie verder bij stedenbouwkundige verordening.

Verordeningen: regels waaraan iedereen die wil bouwen of verkavelen zich moet houden. Er zijn er op gewestelijk, provinciaal en gemeentelijk niveau. Twee soorten: stedenbouwkundige verordeningen en verkavelingsverordeningen.

Vermoeden van vergunning: zie: vergund geacht.

Vlaamse Commissie voor Ruimtelijke Ordening (Vlacoro) [Codex R.O., art. 1.3.1.]: was een gewestelijk adviesorgaan dat was samengesteld uit allerlei deskundigen inzake ruimtelijke ordening uit diverse instellingen en verenigingen. Speelde o.a. een belangrijke rol bij het doorspelen van opmerkingen inzake het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen en gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen. Door het decreet van 18 november 2011 tot wijziging van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening werd deze commissie afgeschaft. De Vlaamse regering is sedertdien bevoegd om alle bezwaren tegen het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen of gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen zelf te behandelen [Codex R.O., art. 2.2.7.]. Ze is evenwel gebonden door een motiveringsplicht [Parl. St. Vlaams Parlement, zitting 2010-2011, stuk 1186-1, p. 7-8).

Vlaams Ecologisch Netwerk (VEN) [Codex R.O., art. 1.1.2. 10° c), 6.1.4. § 5; Decreet Natuurbehoud, art. 2, 9, 10 § 2, 11 § 2, 16, 17-26, 33, 37 § 1, 40, 44 § 2, 47, 74]: Een samenhangend en georganiseerd geheel van gebieden van de open ruimte waarin een specifiek beleid inzake het natuurbehoud, gebaseerd op de kenmerken en de elementen van het natuurlijk milieu, de onderlinge samenhang tussen de gebieden van de open ruimte en de aanwezige en potentiële natuurwaarden wordt gevoerd.  Een oppervlakte van 125.000 ha. dient door de Vlaamse regering afgebakend te worden.  Het Vlaams Ecologisch Netwerk omvat de volgende onderdelen: Grote Eenheden Natuur (GEN) en Grote Eenheden Natuur in Ontwikkeling (GENO).  Interessante website: http://www.ven-ivon.be/index.html.

Vlaamse Grondenbank [Codex R.O., art. 1.1.2. 17°, 2.4.1., 2.4.2. (overgangsbepalingen), 2.4.10 § 1, 3.1.2. § 1 11°, 4.4.2.; Decreet van 16 juni 2006 betreffende de oprichting van de Vlaamse Grondenbank en houdende wijziging van diverse bepalingen, B.S. 9 februari 2007]: afdeling van de bij decreet van 21 december 1988 houdende de oprichting van de Vlaamse Landmaatschappij opgerichte Vlaamse Landmaatschappij die instaat voor het verwerven en verkopen van gronden in het kader van o.m. ruimtelijke ordening en natuurbehoud. Men kan hier ook terecht in verband met het recht van voorkoop.

Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE): staat sedert 2004 in voor de component onderzoek en studie inzake ons archeologisch patrimonium.  De bescherming van het archeologisch bodempatrimonium is toevertrouwd aan de Afdeling Monumenten en Landschappen.

Vlaamse Landmaatschappij (V.L.M.) [Decreet van 21 december 1988 houdende oprichting van de Vlaamse Landmaatschappij, B.S. 29 december 1988 (met veelvuldige wijzigingen); Codex R.O., art. 1.1.2. 17°;  Decreet Natuurbehoud, art. 2, 37 § 1, 38 § 1, 47 § 3] : instantie die zich bezighoudt met landinrichting. Speelt een belangrijke rol inzake de landbouw en de uitbouw van een Geografisch Informatiesysteem voor Vlaanderen.  Een onderdeel ervan is de Vlaamse Grondenbank. Webstek: http://www.vlm.be

Vlaamse Leefmilieuadministratie: opvolger van ANIMAL, nu onderdeel van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie. Hier kan je terecht met al je vragen over leefmilieu en de daarmee samenhangende vergunningen. Webstek: http://www.lne.be

Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen (VMSW): De VMSW staat in voor de tijdige realisatie en de financiering van het door de Vlaamse Regering geplande programma voor sociale woonprojecten. Zij stimuleert, ondersteunt en begeleidt lokale organisaties om betaalbare en kwaliteitsvolle projecten te realiseren en neemt indien nodig zelf initiatieven.

Vlaamse Wooncode [Decreet houdende de Vlaamse Wooncode, B.S. 19 augustus 1997 (met veelvuldige wijzigingen)]: decreet dat vertrekt vanuit het basisrecht voor iedereen op een menswaardige en aan de behoeften aangepaste woning. U vindt de officieuze gecoördineerde wettekst via:
http://www.rwo.be/NL/RWOnieuwsbrief/Hoofdmenu/Regelgeving/Wonen/Decreten/VlaamseWooncode/tabid/12473/Default.aspx
Interessante webpagina: https://www.wonenvlaanderen.be/woningkwaliteit

Vogelrichtlijngebied (SBZ-V) [Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand]: gebied geselecteerd op basis van deze richtlijn die gericht is op de bescherming van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de lidstaten.  De richtlijn is zowel van toepassing op vogels, hun eieren, hun nesten en hun leefgebieden.  In Vlaanderen werden bij Besluit van de Vlaamse Executieve van 17/10/1988, gewijzigd door de Besluiten van de Vlaamse Regering van resp. 23/06/1998 en 17/07/2000 23 vogelrichtlijngebieden afgebakend met een totale oppervlakte van ongeveer 97.580 ha.  Zie ook: habitatgebieden en Natura 2000-netwerk.

Voorkoop: zie Recht van voorkoop.

Watertoets [Decreet betreffende het Integraal Waterbeleid van 18 juli 2003, art. 8, B.S. 14 november 2003]: het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en uiteindelijk beoordelen van de mogelijke schadelijke effecten van plannen, programma's of vergunningsbesluiten op het watersysteem.  Inzake de problematiek van waterbeheersing en waterzuivering, gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater verwijzen we naar het Besluit van de Vlaamse regering van 1 oktober 2004 houdende vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratie-voorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater B.S. 8 november 2004.  Zie ook: http://www.watertoets.be

Weekendverblijf [Codex R.O., art. 5.4.1.1°]: een al dan niet verplaatsbare en vanuit bouwfysisch oogpunt hoofdzakelijk vergunde constructie die krachtens de stedenbouwkundige voorschriften niet tot permanente bewoning kan worden bestemd, en die voldoet aan alle volgende voorwaarden: a) zij heeft een maximaal bouwvolume van 300 m³, b) onverminderd het tweede lid voldoet zij aan de vereisten, vastgesteld bij en krachtens artikel 5, §1, van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, c) zij is niet gelegen in een natuurgebied met wetenschappelijke waarde of natuurreservaat, aangewezen op een plan van aanleg of een ruimtelijk uitvoeringsplan.
Voor meer details over de visie van de Vlaamse overheid.

Woonrecht [Codex R.O., art. 5.4.3.-5.4.4.] : geldt ten hoofde van permanente bewoners ten persoonlijke titel in afwachting van een planologische oplossing en, bij ontstentenis daarvan, maximaal tot 31/12/2039 op basis van een ruimtelijk uitvoeringsplan dat zulks voorziet. Merk op dat er een hele reeks beperkingen op dit woonrecht zijn. Uitvoeringsbesluit: B.V.R. 13/05/2009. Of men van een woonrecht kan genieten, blijkt uit een declaratief attest. Merk op dat een constructie waarvan aangetoond kan worden dat ze vergund was en bewoond was op 9 september 1984, ook als ze in een weekendzone lag, volgens art. 7.5.1. 5° als woning mag gekwalificeerd worden.

Zonevreemde constructie [Codex R.O., art. 2.6.5., 4.1.1. 17°, 4.4.3., 4.4.10-22. : bouwsel met een bepaalde functie of bestemming die niet strookt met de bestemming voorzien voor het gebied waar het zich situeert volgens een ruimtelijk uitvoeringsplan (gewestplan): b.v. een boerderij in natuurgebied, een woning in agrarisch gebied,... Webstek over deze problematiek: http://www.ruimtelijkeordening.be/NL/Infoopmaat/Zonevreemd/tabid/14003/Default.aspx

Zorgwonen [Codex. R.O., art. 4.1.1. 18°, 4.2.4.]: wonen in een ondergeschikte woning (die maximaal 1/3 uitmaakt van het bouwvolume van een bestaande woning), bedoeld voor bejaarden en personen met een handicap.